navbar.frm 20180310
ATTENTIE. . VAKANTIE ONDERHOUD . . Bijeenkomst op 18 oktober 2018 . . Elke zondag 145.475 MHz . . 10:30 RTTY bulletin . . 11:00 uur Woerdense Ronde .
W

Over de plaatsing van HF-antennes

Samenvatting

De antenne is het meest essentiele deel van onze hobby.

HF-antennes zijn vaak duur en groot, dus is het verstandig om vooral eens na te denken over het type, de plaatsing, enz. Ook veiligheid en onderhoudbaarheid zijn daarbij belangrijke onderwerpen.

Het eerste dat men vroeger als radioamateur bezat was een ontvanger, meestal een buizentype. Een langdraad antenne was dan voldoende
om over alle HF banden stations uit de gehele wereld te ontvangen. Na het behalen van de zendmachtiging werd een zender aangeschaft en op de
reeds aanwezige antenne aangesloten. Dat ging bijna altijd goed, omdat een buizenzender niet zo gauw last heeft van een slechte VSWR.

Tegenwoordig schaft men zich een complete zend-ontvanger aan die geheel getransistoriseerd is. Nu is het wel belangrijk dat de antenne op de
werkfrequentie in resonatie en aangepast aan de zender is. Een antennetuner is daarmee een vereiste geworden.
Voor de antenne kunnen we nu kiezen uit de volgende types: langraad of windom, de groundplane of een horizontale dipool met of zonder
reflectoren en director. Het stralingsdiagram is voor elk type anders en wordt bovendien sterk beinvloed door de afstand tot de grond en de
electrische eigenschappen van de grond.

De propagatie eigenschappen van radiogolven in de atmosfeer bepalen in hoge mate het gewenste stralingspatroon van de antenne. Voor rondom
gevoelige ontvangst, zoals tijdens rondes, gebruiken we bij voorkeur groundplanes, of inverted-V's, waarbij we hoge opstraalhoeken
prefereren. Voor DX-werk kijken we naar horizontale dipolen met een lage opstraalhoek. Door reflectie aan de ionisatielagen in de atmosfeer,
kunnen immers we de beperking van de ronding van de aarde overbruggen.
De grondgolf kunnen we gebruiken voor lokale verbindingen. Uit de propagatie verwachtingen kunnen we afleiden dat we voor dx-verbindingen de meeste kans hebben in de late ochtend in de 20 meterband. Met de overwegingen uit de voorgaande alinea komen we dan tot de conclusie dat een beam bij voorkeur op een hoogte van 15 tot 20 meter geplaatst moet worden.

Dit levert ons meteen een nieuw probleem op. Overheids voorschriften stellen dat een antenne maximaal 5 meter boven het dak mag uitsteken. Bij de meeste woonhuizen kan dit nog net. Willen we een mast plaatsen dan moet zo-wie-zo van de gemeete toestemming worden gevraagd. Het VERON
antenneboek verteld daar meer over.

Groundplanes hebben hun eigen problematiek. Voor de 40 en 80 meterband, bijvoorbeeld, is het vrijwel niet mogelijk om een kwartgolflengte antenne op te richten. Dat kan men oplossen met het aanbrengen van topcapaciteit op een kortere antenne. De kwaliteit en daarmee de bandbreedte van een groundplane wordt sterk bepaald door de onderliggende grond. Dat kunnen we enigszins verminderen door de antenne verhoogd, tussen 3 en 5 meter op te stellen. Hoger, bijvoorbeeld op de nok van het dak, levert een ongunstiger stralingspatroon op voor de lage HF-frequentie. Dat wordt veroorzaakt door de enorme atmosferische storingen die op die banden aanwezig is.

In de directe omgeving van de groundplane kan een redelijk hoge electrische veldsterke worden gemeten. Die kunnen we reduceren door het
aanbrengen van een tegencapaciteit dicht bij het voedingspunt. Op die capaciteit zetten we een kleine spanning in tegengestelde polariteit.
Hiermee kunnen we de electrische veldsterkte in de directe omgeving behoorlijk reduceren. Dit principe wordt wel toegepast bij middengolf
omroepantennes die in de bebouwde kom staan. Door amateurs wordt dit principe ook wel toegepast, we hebben het dan over de E-H antennes.

Het ontvangergedeelte van de moderne transceiver is veel gevoeliger dan zijn vroegere buizenbroertje. De atmosferische storing en daarmee de signaalsterkte is op
frequenties van 7 MHz en lager zo groot, dat de attennuator moet worden ingeschakeld, om oversturing te voorkomen. Dit gaat ten koste van de gevoeligheid voor smallband modes. Het is dan aan te bevelen om een aktieve electrische antenne van 1,5 meter lengte te gebruiken, uitsluitend voor ontvangst. De eisen die men aan de antenneversterker stelt zijn echter zeer hoog.
Woont u niet in de buurt van een industrieterrein, dan kan ook een magnetische loop uitkomst brengen.

Als laatste punt nog een paar opmerking over het onderhoud van een antenne installatie, het is verstandig om daar al vooraf rekening mee te houden. Een antenne zal gaan corroderen. We zullen de antenne dus wel eens uit elkaar moeten halen en de contacten reinigen. Dat geldt ook voor de kabel naar de zender, die zal t.z.t. vervangen moeten worden. Vraagt u zich daarom eens af hoe u nog bij de antenne komt als die uiteindelijk
op zijn plek is gezet. Let daarom tijdens het gebruik op de VSWR. Een VSWR van heel dicht bij de een, of het nauwelijks bij hoeven tunen bij
frequentie verandering duidt meestal op een lage kwaliteitsfactor van de installatie, dat wil zeggen hoge overgangs weerstanden bij connectoren
en verlengspoelen.

Al deze zaken passeerden de revue tijdens de lezing en werden toegelicht met foto's, tabellen en grafieken.

(pa0phb)
2010/11/21

Meer informatie:

  • WERON over antennes
  • WERON presentatie van de lezing
. .